De wijk Parkhaven in Utrecht is jong en nieuw. Aan de huizen is niet af te lezen dat dit gebied een rijke historie kent, een historie die is verbonden met tuinders, veilingen en een fabriek. De fabriek voor de verwerking van groenten en fruit tot conserven- en diepvriesproducten staat er nog, maar haar toekomst is onzeker. Hoe houdt Utrecht de wijkidentiteit vast? Het behoud van de fabriek wordt de komende maanden spannend. USINE heeft de betrokken partijen opgeroepen tot overleg en het maken van duurzame plannen.

De aanleg van de veilinghaven in 1922-1928

Begin november 2017 maakte de gemeente Utrecht het nieuws wereldkundig dat eigenaar Interstate haar fabriek aan de Heycopstraat gaat afstoten. Intertaste heeft in 2010 de soepfabriek van Campbell Soup Company overgenomen. Interstate maakt op deze locatie uitsluitend droge soepen voor vele afnemers. De fabriek is modern, ondanks haar industriële verleden. Niet alleen Royco maakte op deze plek haar soepen, ook de diepvriesgroenten van Iglo kwamen uit deze fabriek. Maar de historie gaat nog verder terug.

Het begon allemaal in de jaren 1920. Om de groeiende bevolking van voeding, werk en woonruimte te voorzien werden grote plannen gerealiseerd. Tussen 1922 en 1928 legde Utrecht een nieuwe veilinghaven aan, een nieuw knooppunt in de handel tussen de tuindersbedrijven in de omgeving en de afnemers: handelaren, fabrieken en winkeliers. Met een aftakking van het Merwedekanaal kwam de veilinghaven tussen het kanaal en de Croeselaan te liggen. De veilinghal kwam eerst in een tijdelijk gebouw, tot die tijd stond het op het Paardenveld. Het houten gebouw voldeed tot 1926. Een nieuw veilinggebouw met veilinghal is in dat jaar geopend. Het voorgebouw staat nog in de wijk Parkhaven, de hal is in 2003 verwijderd.

Heycopplein Utrecht, de in 1928 geopende veilinghal met haven

Het nieuwe veilinggebouw paste in het grote plan om in dit gebied tussen de Croeselaan en het Merwedekanaal een handelszone te creëren. Niet alleen voor de handel in groenten en fruit, ook voor vee. In 1928 werden de nieuwe veemarkthallen geopend. Vredenburg was tot die tijd de plaats voor de veehandel. Het plein kwam na verhuizing van de veemarkt beschikbaar voor de Jaarbeurs. Dat er veemarkthallen bij hoorden is niet meer te zien.

De groenten- en fruitveiling werd gerealiseerd door de gemeente Utrecht, de exploitatie werd gedaan door een coöperatie. Zij pachtte het gebouw met het omliggende terrein. De haven werd door de gemeente geëxploiteerd. De versterking van deze coöperatie met alle belanghebbende partijen zorgde uiteindelijk voor een groeiende omzet en de uitbreiding naar nieuwe activiteiten. In de coöperatie waren niet alleen de tuinders georganiseerd, ook de kleinhandelaren in groenten en fruit. Voor de in 1928 nieuw opgeleverde veemarkthallen werkte dat anders. De gemeente hield de controle over dit ‘marktwezen’.

De in 1928 geopende veemarkthal aan de Croeselaan – sloop in 1970

De Jaarbeurs ging in de jaren die volgden al uitbreiden. Voor de grote Jaarbeursdagen kwamen toen elk jaar tijdelijke tentoonstellingsgebouwen op het huidige Jaarbeursterrein.

Hubert Pootstraat Dichterswijk Utrecht – spoorhefbrug veilingspoor

Eveneens werd het veilingterrein met -haven aangesloten op het spoorwegnet met een speciaal aangelegde veilinglijn. In de spoorlijn mocht fabrikant Frans Smulders (fabriek Croeselaan 6) twee spoorweghefbruggen realiseren. Van die hefbruggen is het exemplaar in de Dichterswijk bewaard gebleven.

Na de crisisjaren van de jaren 1930 kwamen er nieuwe initiatieven. De conservenindustrie voor groenten- en fruit was voornamelijk in particuliere handen. De conservenindustrie begon met het inblikken van groenten en fruit, later kwam daar glas bij. Bekende producten waren de langer houdbare seizoensgroenten en fruit (appelmoes) en de zuurwaren als augurken en uitjes. Zuurkool bleef een belangrijk Nederlands product.

Een nieuwe techniek voor het duurzaam conserveren van groenten en fruit werd uitgevonden: de diepvries. Het snel invriezen van vele producten bleek de goede eigenschappen en de versheid van het product te conserveren. Zo kon ook bijvoorbeeld een typische seizoensgroente als spinazie geconserveerd worden met behoud van haar smaak en vitaminen. Niet dat er thuis diepvriezers kwamen, dat was veel later. Vele gemeenten, zoals ook Utrecht, hadden verkooppunten voor diepvriesvlees. Vandaag gekocht kon het dezelfde of volgende dag bereid worden. Naast vlees konden ook groenten op deze wijze verkocht worden. Maar de investeringen in snelvriezen waren hoog, veel hoger dan voor verwerking in blik of glas nodig waren. Uiteindelijk kreeg Nederland drie grote diepvries conservenfabrieken. Een van die drie kwam in Utrecht, de anderen in Leiden en Venlo.

De gezamenlijke tuinders, kleinhandelaren en veilingorganisaties en de Raiffeisenbank van Utrecht ontwikkelden een plan voor het nieuwe conservenbedrijf. De gemeente faciliteerde het initiatief. Naar een eerste ontwerp van stadsarchitect J.I. Planjer werd de verwerkingsfabriek voor groenten en fruit aan de Veilingstraat gebouwd. In 1941 opende de Winterzon Conserven N.V.. De gebouwdelen staan er nog steeds. In de oorlogsjaren die volgden zijn de diepvriesbedrijven geconfisqueerd en ze hebben onder controle van de Duitse bezetter volop geproduceerd.

De fabriek van N.V. Vita met nieuwe diepvriesinrichting en schoorsteen

Na de oorlog kwamen alle drie Nederlandse bedrijven, Winterzon in Utrecht, VITA in Leiden en Nordland in Venlo, onder controle van de Nederlandse overheid. De coöperatief verenigde tuinders namen in 1948 deze ‘oorlogskindjes’ over. Ze werden over de streep getrokken door de Engelse ‘Cooperative Wholesale Society’. Deze organisatie met 24.000 winkels in Groot Brittannië was sterk geïnteresseerd in een betrouwbare leverancier voor de in Engeland populaire diepvriesproducten. Voor de tuinders was het duidelijk dat deze exportkans voor Nederlandse groenten en fruit aangegrepen moest worden. De ‘Cooperative Wholesale Society’ nam een aandeel van 50% in de onderneming, de andere 50% ging naar de verenigde tuinders.

Onder deze nieuwe eigenaren werd de naam Winterzon in 1953 gewijzigd in VITA. De naamswijziging ging gepaard met een grote uitbreiding van de fabriek in Utrecht. Naar een ontwerp van architect J.J.H. van Leeuwen werd in 1953 een nieuwe diepvriesinrichting met schoorsteen gerealiseerd. De schoorsteen is verdwenen, maar ook deze gebouwdelen maken nog steeds deel uit van het complex. Het VITA mannetje kwam op alle producten en advertenties te staan:

Het Vita mannetje – ‘vers en vrieskoud’

Het assortiment aan diepvriesgroenten en -fruit werd met vis uitgebreid. De aanvoer van groenten en fruit was uiteraard seizoensgebonden. In april begon de aanvoer van spinazie, gevolgd in mei door de aardbeiencampagne, in juni de doperwten, sperziebonen en nog weer iets later de wortelen. Er werd veel geadverteerd om aan personeel te komen. Gehuwde vrouwen die iets wilden bijverdienen door groenten en fruit schoon te maken of ‘nette’ meisjes voor de inpakafdeling. Maar de fabriek had ook behoefte aan machinisten, allround monteurs, vrieshuisbedienden, analisten, vertegenwoordigers etc..

De tijden waren aan het veranderen. Productbeleid, reclame en marketing deden hun intrede. Daarnaast speelde de opkomst van merkproducten versus de producten die in fabrieken van de winkelbedrijven werden gemaakt. In 1958 is VITA met vestigingen in Utrecht, Leiden en Rotterdam, overgenomen door Unilever. In Unilever zagen de coöperaties de meest geschikte kandidaat om met de producten een grotere consumentenmarkt te bereiken. Dit bedrijf zette de productie van diepvriesgroenten in Utrecht voort en de groei van het bedrijf ging door. Het hoofdkantoor van VITA Unilever kwam in Utrecht op het adres Nijenoord 1A. Dat gebouw wordt momenteel omgebouwd naar een woonbestemming en was jarenlang kantoor voor de Detam en later de Hogeschool Utrecht. We gaan terug naar 1959.

Al in 1959 kreeg de gemeente Utrecht het verzoek of er voor uitbreiding van de fabriek aan de Veilingstraat mogelijkheden waren. VITA zag die namelijk aanpalend aan het terrein, alleen lag daar een deel van de veilinghaven. De gemeente stelde f 300.000 beschikbaar om de haven te dempen en het terrein bouwrijp te maken. De Utrechtse IJs-, Koel- en Vriesbedrijven werd met haar op het terrein staande gebouw door de gemeente uitgekocht. VITA besloot tot het overkappen van de tot die tijd in de openlucht aanwezige wasinrichting van groenten en fruit en de groenten-blancheerafdeling.

Later gerealiseerde fabrieksdelen uit de jaren 1950

In het jaar 1960 kregen grote veranderingen hun beslag. Unilever nam in dat jaar het bedrijf Aardenburg in het Drentse Hoogeveen over en het bedrijf ‘De Hoop’ in het Groningse Onnen. Aardenburg verwerkte groenten en fruit in blik. Fabriek ‘De Hoop’ was maker van room- en consumptie-ijs. Unilever had inmiddels een nieuw product op de markt gebracht: kant-en-klaar diepvriesmaaltijden onder haar merk Iglo. Vervolgens ging Unilever reorganiseren. Alle VITA fabrieken en de nieuwe vestigingen kregen de naam Iglo. Voor de werknemers veranderde er ook veel: Unilever voerde de vijfdaagse werkweek in. In Utrecht veranderde meer.

De vestiging Utrecht had steeds meer moeite om in de groentencampagne voldoende personeel aan te trekken. Besloten werd de verwerking van groenten en fruit te concentreren in Hoogeveen. Bij die fabriek kwamen twee nieuwe vrieshuizen te staan. Unilever plaatste in Utrecht de vestiging voor de diepvriesmaaltijden. Ook daar werd geïnvesteerd: in 1961 werd vergunning aangevraagd voor het oprichten van een vrieshuis en kantoorruimte. In 1962 is het f 1.600.000 kostende bouwwerk in gebruik genomen, de officiële opening was op 18 juli 1962 door burgemeester C.J.A. de Ranitz. De 12.500 m3 aan inhoud werd afgekoeld tot -25 tot -30 graden Celsius. Het pand staat nu bekend als de vestiging van Bo-Rent. De vestiging van VITA in Leiden werd gesloten. Unilever plaatste de productie van de Vami ijsfabriek Amsterdam over naar Utrecht. En zo startte op deze vestiging de productie van consumptie-ijs van het merk OLA. Enkele jaren later ging de OLA naar een nieuwe fabriek.

Het vrieshuis met kantoren uit 1962

Het vestigingenbeleid van Unilever veranderde voortdurend. In 1966 verplaatste het de Iglo-vestiging van Utrecht naar Hoogeveen. De 280 werknemers van de Utrechtse vestiging kregen iets anders te doen. Binnen de Unilever groep kwam de productie van Royco-soepen van Hartog in Oss naar de vestiging aan de Heycopstraat. De vestiging van Royco in Utrecht ontwikkelde zich geleidelijk tot specialist in pakjes soep. Het product ‘Cup a Soup’ werd in 1972 succesvol geïntroduceerd op de Nederlandse markt. Maar eigenaar Unilever ging in de jaren 1990 flink snijden in het aantal productnamen. Royco werd Unox. Ruim tien jaar later ging Unilever haar soepen maken in Polen, nu onder de naam Knorr.

In 2001 is de fabriek Royco Utrecht overgenomen door Campbell Soup Company. Bijna tien jaar later werd Intertaste de eigenaar van de ‘soepfabriek’ aan de Heycopstraat. Intertaste maakt in deze fabriek pakjes droge soepen voor verschillende afnemers. Intertaste heeft recent aangegeven dat ze verhuizing van de fabriek overweegt. Het College van B & W van de gemeente Utrecht liep daar op vooruit in een bericht van 12 oktober 2017 aan de Gemeenteraad: “Hierbij informeren wij u over ons besluit het startdocument vast te stellen voor een gezonde en duurzame wijk op de plek en directe omgeving van de huidige soepfabriek bij Parkhaven. We willen de mogelijkheid voor het ontwikkelen van woningbouw bij vertrek van de fabriek Intertaste, Heycopstraat 42, verder onderzoeken.”

Gebouwen met cultuurhistorische waarde in blauwpaarse kleur

Op termijn gaat de soepfabriek vertrekken. De locatie is een sterke herinnering aan een rijk industrieel verleden van Utrecht. Het is een rijke schakel tussen de tuindersactiviteiten die in dit deel van de stad hun oorsprong vonden en de industriële verwerking van hun opbrengst tot consumentenproducten. De soepfabriek inclusief vrieshuis zijn industrieel erfgoed.

Hoe gaan we met deze historische waarden om?

Het meest interessante vraagstuk voor de komende jaren is natuurlijk: passen de historische waarden van de huidige gebouwen in de toekomstplannen van Parkhaven? De gemeente Utrecht is al in de jaren 1990 begonnen met de transformatie van dit gebied naar een nieuwe woonwijk. Het is de opgave van de stad binnen de huidige begrenzingen te zoeken naar locaties voor woningen. Maar moet daar alle oude bebouwing en de historie van het gebied voor wijken? Daar hebben we in de huidige tijd een andere kijk op gekregen.

In Utrecht is het behoud van industrieel erfgoed ook aan de orde bij de herontwikkeling aan de 2e Daalsedijk of het terrein van de OPGfabriek. Vergelijkbare vraagstukken van behoud van industrieel erfgoed doen zich niet alleen in Utrecht voor. De Honigfabriek in Nijmegen of de Koudijsfabriek in Den Bosch zijn voorbeelden. In Amsterdam is er het Kromhoutterrein en zo zijn er meer.

Deel terrein Intertast soepfabriek aan de Heycopstraat te Utrecht – rechts oudste delen en midden het vrieshuis

We kunnen een nieuwe vraag stellen: past het programma van eisen van de Parkhaven bij het behoud van de soepfabriek? Bij het beantwoorden van die vraag zou het behoud van de bestaande gebouwen naar een nieuwe bestemming centraal moeten staan.

Bij het beëindigen van de fabriek kan de gewenste woningbouwontwikkeling in de omgeving direct starten. Een deel van de gebouwen zullen zich niet lenen voor hergebruik, daar kan nieuwbouw vrij snel starten. De oude fabriek zal niet direct toe zijn aan herbestemming. Maar daar weten we tegenwoordig met tijdelijk vergunningen een creatieve invulling aan te geven. Het is een gebouw voor de voedselindustrie geweest: dus het is schoon. Bij vroegtijdig overleg over een overname en herbestemming kan mogelijk een deel van het fabrieksinterieur behouden blijven!

Hoe het terrein te ontsluiten, er te parkeren of welke bestemmingen er aan geven? Het vrieshuis domineert de omgeving, dat doet het al sinds 1962. Het is als icoon van de locatie ook her te bestemmen. De op 600 palen gefundeerde hal kan prima verkeerswegen laten kruisen, gevelopeningen verdragen of een parkeervloer op niveau met autoliften bergen. En dat zijn voor de vuist weg bedachte nieuwe mogelijkheden.

Hergebruik van de soepfabriek is een kans. Een kans voor behoud van erfgoed en het creëren van nieuwe bestemmingen. Hergebruik van gebouwen is op en top duurzaam. Met recht een vraagstuk dat bij de huidige tijd past.

Met een openbare brief, gericht aan het bestuur van de gemeente Utrecht, de beoogde projectontwikkelaars voor het terrein en de huidige gebruikers van de gebouwen, pleit USINE voor gezamenlijk overleg. Overleg voor een duurzame toekomst van de Parkhaven met daarin het behoud van de fabrieksgebouwen (grotendeels) en het vrieshuis. De brief is op 30 november 2017 verzonden, download de brief.

Voor dit artikel zijn de bronnen voornamelijk ontleend aan het Utrechts Nieuwsblad (Utrechts Archief) en couranten via Delpher.

Tagged on: