Horen molens nu wel of niet tot het industrieel erfgoed? Ze vertellen ons het verhaal van de industriële geschiedenis. Een omvangrijke restauratie van Utrechtse molens is onlangs afgerond.

Stichtse Vecht Kockengense molen mei 2013 nieuws

De Kockengense molen na renovatie

Na een restauratie van twee jaar is de Kockengense molen aan de Wagendijk 15 te Kockengen weer in bedrijf gesteld. De molen kan door een aangepast scheprad weer meedraaien in het drooghouden van de polder. Voorgaande restauraties werden afgerond aan korenmolen ‘Geesina’ te Groenekan, korenmolen ‘De Kraai’ te Westbroek en de ‘Buitenwegse’ en ‘Westbroekse’ molens te Oud Zuilen. In de provincie Utrecht zijn zelfs twee molens volledig nieuw ‘historisch’ gebouwd: ‘De Hoop’ in Bunschoten en ‘De Windhond’ in Soest.

Molens zijn om meer redenen belangrijk voor het verhaal van de industriële geschiedenis. Molens staat met stip op nummer 1 van de populairste historische bedrijfsgebouwen. De top vijf van industriële monumenten in de provincie Utrecht ziet er qua aantal als volgt uit:

  1. molens (met stip)
  2. watertorens
  3. transformatorhuisjes
  4. pakhuizen
  5. fabrieksgebouwen (zonder geluid of stank).

Voor Nederland is er nog een specifieke reden om de molens tot het industrieel erfgoed te rekenen. Ook al ging het vervoer langzaam met de trekschuiten over het water, en gebruikten we voor de aandrijving van machines de wind in molens voor maalinrichtingen, zaagbanken of verfmalerijen en olieslagerijen: het was mede de reden voor de hoge welvaart in ons land van de 17e tot en met de 19e eeuw.

Maar een derde reden is minstens zo belangrijk. De molen staat symbool voor de overgang tussen traditie en modernisering. Er zijn in de provincie nog veel molens te vinden: veel poldermolens, veel korenmolens en enkele zaagmolens. Allen waren tot ver in de 19e eeuw en enkele iets verder volop actief. Alle molens waren onderhevig aan regelgeving. Dat belemmerde in de loop van de 19e eeuw de vooruitgang. De industrialisatie hangt nauw samen met het opheffen van die in de weg staande regelgeving.

Als voorbeeld de korenmolens. Voordat de korenmolens een nieuwe industriële toekomst kregen, moesten belangrijke belemmeringen uit de weg geruimd worden: de opheffing van de broodzetting in 1850 en de opheffing van de accijns op het gemaal in 1855.

Opheffing accijns op het gemaal

De opheffing van de accijns op het gemaal in 1855 was van belang voor de ontwikkeling van het molenaarsambt van de korenmolens. De molenaar mocht ineens de tarwe niet alleen malen, maar ook builen en hermalen zo vaak hij wilde. Dat meel, dat zuiverder was en een hogere handelswaarde had, mocht hij zelf verhandelen; hij mocht er zelfs een aanzienlijke voorraad van aanhouden. De effecten op malerijen, aanvankelijk korenmolens en al vrij snel stoommalerijen, was navenant. Na het opheffen van het accijns op het gemaal konden stoomgemalen actief worden en ontstonden de olie- en veevoederbedrijven. Ook gingen molenaars zich toeleggen op bakkersmeel en het bakken van brood. De Korenschoof in Utrecht werd zo’n bedrijf.

Opheffing broodzetting

Enkele jaren daarvoor was namelijk de opheffing van de broodzetting ook al van grote invloed. De broodzetting hield in dat alleen tegen inlevering van eigen meel een gereguleerd formaat brood werd geleverd door de bakker. Dat heeft tot 1850 de relatie tussen de bakkers, de molenaars en de klanten van brood en/of meel bepaald. Na de opheffing van deze regelgeving groeide de broodconsumptie enorm en kwamen er industriële bakkers.

Ook de zaagmolens hadden degelijke beperkingen. Ze zaagden alleen het hout van anderen voor zaagloon. Je zou kunnen zeggen dat voor een belangrijk deel door het wijzigen van regelgeving ons land het industriële tijdperk ging betreden. De molen behoudt daarin haar waarde: nog immer symbool voor onze ver geïndustrialiseerde wereld.

Tagged on: