Van ‘industrieel erfgoed’ bestaat geen eenduidige definitie. Wij richten ons kortweg op erfgoed dat te maken heeft met productie (fabrieken, nutsbedrijven, fabrieksterreinen), infrastructuur (kanalen, spoorwegen, wegen, bruggen, gemalen), direct van industrie afgeleide zaken (bijv. fabrieksdorpen), en overige objecten die als monument van bedrijf en techniek beschouwd kunnen worden en een directe relatie hebben met het industriële verleden. Tot de ‘overige’ zaken kunnen dan ook grensgevallen behoren als glastuinbouwcomplexen, opslag voor agrarische producten, tabaksschuren, laboratoria, etc.

In het algemeen richten we ons niet op:

  • erfgoed van voor 1800 en na 1965
  • boerderijen en bijgebouwen
  • militaire civieltechnische werken (zoals forten en waterlinies)
  • roerend industrieel erfgoed (incl. ‘mobiel’ erfgoed)

Usine website industrieel erfgoed verantwoordingDe USINE-methode voor het inventariseren van industrieel erfgoed.

USINE maakt voor het onderzoek naar industrieel erfgoed gebruik van een dubbele inventarisatiemethode. De getrapte inventarisatiemethode bestaat uit drie fasen: 1. het bronnenonderzoek; 2. het veldonderzoek; 3. de duiding

  • Het bronnenonderzoek geeft een antwoord op d vraag: welke productiebedrijven zijn er in 1850-1965 in het onderzoekgebied geweest en waar waren zij gevestigd? Als bronnen worden gehanteerd literatuur en de archieven over hinderwetbescheiden, verslagen van de Kamer van Koophandel, bouwvergunningen en adresboeken. Vooral de Hinderwet aanvragen leiden tot veel signaleringen en informatie. Dit resulteert in een plaats op de signaleringslijst.
  • Na het samenstellen van de signaleringslijst volgt het veldonderzoek. Hieruit volgt het antwoord op de vraag: wat is er nu nog over van de bedrijven die tussen 1850 en 1965 hebben bestaan? Met behulp van Google Maps kan dit in eerste instantie vanachter het bureau uitgevoerd worden. In veel gevallen is een opname op de plek zelf nodig.

Het bronnenonderzoek en het veldonderzoek vindt ook wel in omgekeerde volgorde plaats. Bij het schouwen van een lokale situatie vallen sommige objecten gewoon op en wekken de nieuwsgierigheid naar wat het is of was. Uiteindelijk kan het resulteren in een plaats op de inventarislijst.

  • Duiding: de cultuurhistorische waarde kan vanuit twee invalshoeken worden vastgesteld:
    • de betekenis van het object of de branche voor de regionale ontwikkeling en de regionale identiteit;
    • de betekenis van het object in de ontwikkeling van de branche.

Met deze duiding hebben objecten en/of ensembles een plaats op de TOP 100 of een plaats bij de 20 Vensters verworven.

Het proces is geen eenmalige exercitie. ‘Nieuwe’ monumenten worden toegevoegd of een heroverweging van het industriële karakter van een object kan verwijdering van de lijst opleveren. Sloop van industriële objecten komt ook voor.

Literatuur: Franken, Jörg en Kees Volkers, Industrieel erfgoed in de Provincie Utrecht, een getrapte inventarisatie-methode, USINE juni 2003

terug

Delen:Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageShare on Google+Email this to someone